Kassa voor digitaal erfgoed

Terwijl toonaangevende erfgoedinstellingen als het Amsterdam Museum en het Nederlands Architectuur Instituut hun collecties vrijgeven voor gratis (her)gebruik voor het publiek, denken andere organisaties na over nieuwe manieren waarop ze geld kunnen verdienen met gedigitaliseerd materiaal. Betekent vrijgeven geld weggooien of gaan open collecties en businessmodellen hand in hand? Erfgoeddeskundigen maken een onderscheid tussen businessmodellen (gratis kan onderdeel uitmaken van een businessmodel) en verdienmodellen en ontkennen dat er sprake is van een richtingenstrijd.

Het Nederlands Architectuur Instituut (NAi) heeft onlangs de gebruiksvergoedingen op beeldmateriaal afgeschaft. Daarnaast heeft het NAi een deel van de collectie van foto’s van historische interieurs en gebouwen op Flickr gezet onder een Creative Commons-licentie. Deze foto’s mogen voor commerciële en niet-commerciële doeleinden hergebruikt worden mits de gebruikers hun eigen werk, waarin de foto’s zijn opgenomen, onder dezelfde voorwaarden publiceren.

Het Amsterdam Museum, voorheen het Amsterdams Historisch Museum, gaat nog een stap verder. Het museum doneerde in januari zijn gehele digitale collectie, met ruim 70.000 objecten vanaf de Middeleeuwen tot nu, aan Wikipedia. De collectie was een verjaardagscadeau voor de encyclopedie die in januari tien jaar bestond. Het Amsterdam Museum hanteert dezelfde Creative Commons-licentie als het NAi. Het museum had eerst een iets strengere licentie, commercieel gebruik van het collectiemateriaal was niet toegestaan, maar heeft de voorwaarden veranderd om opgenomen te kunnen worden in Wikipedia. Hoewel Wikipedia een non-profit initiatief is, is commercieel gebruik van het materiaal van de digitale encyclopedie toegestaan.

Genereus

De bereidheid van het Amsterdam Museum en het NAi om materiaal weg te geven en te delen met de rest van de wereld, is opmerkelijk te noemen. Er zijn niet veel Nederlandse erfgoedinstellingen die zo genereus met hun collectie omgaan. De samenwerking met Wikipedia sluit goed aan op een wens van het Comité des Sages, een door de Europese Commissie ingestelde adviesgroep, die onderzoekt hoe het digitaliseren en verspreiden van het Europese culturele erfgoed gestimuleerd kan worden. In een paper, die in oktober 2010 is verschenen, wijst het comité erop dat webprojecten als Wikipedia en Open Street Map heel goed zijn in het verzamelen en distribueren van kennis en informatie, maar dat ze vaak tegen (auteursrechtelijke) beperkingen aanlopen als ze hun materiaal willen uitbreiden. Content van musea bijvoorbeeld kunnen ze niet opnemen vanwege verschillen in gebruiksvoorwaarden. Het Amsterdam Museum heeft deze hindernis uit de weggeholpen door te bepalen dat ook commercieel gebruik is toegestaan.

In de erfgoedwereld stond tijdens discussies over digitalisering lange tijd het auteursrecht centraal. Auteursrecht werd door erfgoedinstellingen vaak als een onoverkomelijk probleem gezien om collecties op het net te zetten voor gebruik door het publiek. Tegenwoordig zijn businessmodellen een belangrijk thema. Erfgoedinstellingen vragen zich af hoe ze geld kunnen verdienen met hun gedigitaliseerde collecties. Vormt de wens om verdienmodellen te ontwikkelen ook een belemmering voor het vrije gebruik van collecties?

Richtingenstrijd?

‘Van een echte richtingenstrijd lijkt geen sprake,’ zegt Rinske Brand, hoofd Marketing & Communicatie a.i. van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). ‘Alle erfgoedinstellingen worstelen momenteel in meer of mindere mate met vragen over auteursrecht, reproductierecht en digitaliseringkosten. Hét antwoord daarin is nog niet duidelijk. Het NAi en het Amsterdam Museum hebben hierin nu een stap gezet richting meer openheid.’

‘Het ontwikkelen van verdienmodellen en het vrijgeven van collecties sluiten elkaar niet uit,’ zegt Marijke Oosterbroek, manager E-culture van het Amsterdam Museum en een van de drijvende krachten achter het weggeven van de collectie aan Wikipedia. ‘Ik ben zelf een voorstander van het gebruik van businessmodellen omdat ik denk dat ze kunnen leiden tot een betere en gebalanceerdere dienstverlening. Het denken in businessmodellen kan bovendien leiden tot producten waar je niet aan zou denken als je een traditioneler denkraam gebruikt. Het is in mijn
ogen een misvatting dat de opbrengsten van een project altijd moeten leiden tot financiële voordelen. Wij maken binnen het denkraam ook gebruik van immateriële opbrengsten zoals maatschappelijk rendement. Wat betreft de collectie denken wij dat wij juist doordat we de collectie vrijgeven en sowieso het idee van open data aanhangen, veel makkelijker (betaalde) toegevoegde diensten kunnen leveren. Wij zien dat als mogelijkheden om extra service te verlenen aan mensen die daar zelf niet aan toekomen.’

Ook volgens Marco de Niet, directeur van DEN, is er geen sprake van een richtingenstrijd. ‘Businessmodellen zijn meer
dan alleen verdienmodellen. Ook de keuze het materiaal gratis beschikbaar te stellen is onderdeel van een businessmodel,’
aldus De Niet. ‘Er is dus geen richtingenstrijd aan de gang in de groeiende aandacht voor businessmodellen. Die groeiende aandacht voor businessmodellen komt ook niet alleen voort uit de druk van de overheid om meer eigen inkomsten te genereren. De meeste instellingen beseffen inmiddels dat het niet voldoende is om digitale kopieën in een database op het web te publiceren. Er is meer voor nodig om meerwaarde te creëren, zodat er betere banden gesmeed kunnen worden met belangstellenden dan met toevallige passanten op je website.’

Businessmodellen vormen volgens De Niet geen nieuwe vorm van blokkades zoals auteursrechten. ‘Businessmodelinnovatie is juist een proces dat je helpt om heel goed een vorm te kiezen die past bij de mogelijkheden die er zijn.’

Ikea

DEN en het Amsterdam Museum doen, samen met Kennisland, TNO en Erfgoed 2.0, mee aan het project BMICE (Business Model Innovatie Cultureel Erfgoed). Binnen BMICE wordt onderzocht hoe erfgoedinstellingen meerwaarde kunnen creëren met hun diensten, op internet
en in de fysieke wereld. Geld verdienen is daar één aspect van. Er bestaan geen kant-en-klare oplossingen. De Niet: ‘Ik ken mensen die zeggen dat er maar één succesvol verdienmodel op internet is: advertising. En dat is nu juist voor veel instellingen weer lastig, hoewel je het wel af en toe ziet.’ Als voorbeeld noemt De Niet www.erfgoed-delft.nl. Op deze website, een gezamenlijk initiatief van drie
Delftse gemeentemusea, Archief Delft en Archeologie Delft, adverteren Ikea, Eneco en andere bedrijven.

Er zijn meer manieren waarop al geld wordt verdiend middels gedigitaliseerde collecties. De Niet: ‘In de winkel kunnen we nu de dvd-box van Bert Haanstra kopen dankzij het project Beelden voor de Toekomst. De audiovisuele markt is in dat opzicht het sterkst, denk ik. Bekend is natuurlijk ook de samenwerking tussen het Rijksmuseum en de Hema. De Hema verkoopt tientallen producten met afbeeldingen en dessins die zijn gebaseerd op de collectie van het Rijksmuseum. Veel van de afbeeldingen die gebruikt zijn, zijn gewoon op de website van het museum te
zien, maar het zit ’m dus juist in het hergebruik in andere contexten waar leuke spannende dingen te doen zijn. Je moet voorbij het publiceren van de basiscollectie leren kijken, en meer naar toepassingsmogelijkheden.’

Inkomstenbron

Theo Meereboer, oprichter van de webcommunity Erfgoed 2.0, een partner van BMICE, vindt dat je een onderscheid moet maken tussen verdienmodellen en businessmodellen. ‘Een businessmodel omvat, volgens de opvattingen van van Alexander Osterwalder en Yves Pigneur,
negen bouwstenen. Naast de opbrengst geeft een businessmodel ook inzicht in de kosten, beschrijft het onder andere de (belangrijkste) resources, activiteiten en propositie. Bij het BMICE-t project, dat de toepasbaarheid van businessmodelinnovatie in de cultureel erfgoedsector wil vaststellen en daar een stappenplan voor ontwikkelt, is de aanpak gebaseerd op deze uitgangspunten.’ Alexander Osterwalder en Yves Pigneur zijn de auteurs van het boek Business Model Generatie, waaraan 470 ervaringsdeskundigen uit 45 landen hebben meegewerkt.

Meereboer denkt dat er wel culturele organisaties zijn die hun collectie als een bron voor een verdienmodel beschouwen. ‘De angst om de collectie na het digitaliseren en online beschikbaar stellen niet meer als inkomstenbron te kunnen beschouwen, is een andere motivatie voor het willen beperken van de toegang. Het verkopen van reproducties en/of beeldrecht is hierbij zo’n verdienmodel.’

Volgens Brand van het NAi biedt ook een open collectie nog voldoende mogelijkheden om geld te verdienen: ‘Door collecties open en vrij beschikbaar te stellen, sluit je niet automatisch de deur om inkomsten te genereren. Die inkomsten kunnen ook ergens anders vandaan komen. Zo is de fysieke collectie niet afgeschreven als inkomstenbron, net zo min als diensten die rondom een digitale collectie worden aangeboden. Ook naam en reputatie kunnen (indirect) tot meer inkomsten leiden. We zijn nog bezig om daar onze weg in te vinden. Wat we nu al doen is het aanbieden van grootformaatreproducties uit de collectie. Vooralsnog worden geen extreem grote formaten geüpload, zodat (professionele) gebruikers in bepaalde gevallen toch aangewezen zijn op onze reproductiedienst. Daarnaast wordt er vooral gekeken naar businessmodellen rondom extra diensten, zoals de iPhone-applicatie Urban Augmented Reality (UAR). Het is denkbaar dat deelnemers hierin een bijdrage leveren.’

Het betaald aanbieden van een gedigitaliseerde collectie kan echter nooit het enige verdienmodel zijn voor een erfgoedinstelling, meent Meereboer. ‘Het is onvermijdelijk dat erfgoedinstellingen zelf inkomsten moeten genereren. Zij weten ook als geen ander, of althans horen ze dat te weten, wat ze te bieden hebben en waarin ze kunnen voorzien. De nadruk heeft echter wel te lang gelegen op bezoekersaantallen,
van fysieke bezoekers die door de ingang komen. Businessmodelinnovatie lijkt dan wel het nieuwe paradigma te worden, maar zoals een erfgoedinstelling dient te participeren in de samenleving, in de platforms die door de bezoekers gebruikt worden, in hun ambities en motivatie, zo dient de overheid ook te participeren in de erfgoedinstellingen. De instellingen zouden daarmee uitgelezen ontmoetingsplekken tussen overheid en samenleving kunnen bieden. En dat mag wel wat kosten.’

Marie-José Klaver

Geschreven voor InformatieProfessional.

Foto: Interieur Huis van der Leeuw/Collectie NAi

Creative Commons Licentie
Dit artikel van Marie-José Klaver is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 3.0 Unported licentie.

Dit artikel is geplaatst in business modellen, ontsluiting en getagged met , , , . Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.